Voorproefje van EEN VALSE START

HOOFDSTUK !

Eindelijk een medaille

Finn staat zenuwachtig te wiebelen voor het startblok. Hij kan niet wachten tot de race begint: de 100 meter vrij, zijn favoriete num- mer. In gedachten moet hij al in het water liggen. Maar het is zó moeilijk om je goed op een wedstrijd te concentreren. Liever gluurt hij stiekem naar zijn tegenstanders. Vooral naar Marcus natuurlijk, zijn grote rivaal. Kort geleden waren ze nog beste vrienden, maar nu willen ze alleen nog maar van elkaar winnen. Meestal tikt Marcus als eerste aan, tot groot verdriet van Finn. Hij kan het niet uitstaan als Marcus weer met een medaille naar huis mag. Daarom heeft hij zich voor vandaag écht voorgenomen dat hij gaat winnen en dat lukt alleen als hij zijn koppie erbij houdt. Niet knallen vanaf het begin, maar tactisch zwemmen, zijn krachten verdelen. Misschien dat hij dan in de laatste baan nog net een eindspurt uit zijn lijf kan persen.
Als hij het lange fluitsignaal van de scheidsrechter hoort, klimt hij op het startblok. Nu gaat het gebeuren. Hij buigt zijn bovenlijf naar voren en laat zijn armen nog lekker even bungelen.
Dan klinkt de stem van de scheidsrechter. ‘Op uw plaat- sen…’
Meteen gaat Finn in de starthouding staan. Zijn vingers houden de rand van het startblok vast en hij voelt hoe zijn spieren zich spannen. Meteen na de piep duikt hij naar voren. Doe net alsof je vanaf de kant over iets heen duikt, zo heb- ben ze het van Karel geleerd.
Zijn benen beginnen meteen fanatiek te bewegen en een- maal boven water doen ook zijn armen mee. Vier banen borstcrawl heeft hij voor de boeg, met drie maal een keer- punt aan het eind, en tot slot de finish. Als hij zijn hoofd naar rechts draait om voor het eerst adem te halen, ziet hij dat Marcus een eindje voor hem zwemt. Is hij dan zo flit- send van start gegaan?
Finn voelt paniek in zijn lijf. Wat als het gat nog groter wordt? Dan is hij straks weer de verliezer. Zijn tempo ver- snellen dan maar? Hij hoort zijn coach na afloop al mop- peren: je eigen race zwemmen, Finn. Niet met je krachten smijten. Karel heeft het al wel honderd keer tegen hem gezegd. Niet dat het tot nog toe heeft geholpen. Meestal kwam hij op de vierde baan nog maar amper vooruit.

De meeste tijd vindt Finn het jammer dat Marcus zijn vriend niet meer is. Maar eenmaal in het zwembad is hij dat gevoel helemaal kwijt. Hij hoeft de chloorlucht maar op te snuiven. En als Marcus weer eens heeft gewonnen wil Finn hem nog liever pootje lappen dan dat hij iets aardigs tegen hem zegt. Marcus doet ook zo overdreven met zijn medail- les. Als hij ze nou thuis in een hoek zou smijten. Maar hij neemt ze altijd mee naar school om er als een aap mee te pronken. Toen Finn er een keer iets van zei, werd Marcus nog kwaad ook. ‘Kan ik het helpen dat ik een betere zwem- mer ben,’ snauwde hij hem toe. En na school ging hij ineens met een ander vriendje mee naar huis. Logisch dat Finn iets moest verzinnen om hem terug te pakken.
En dan is er ook nog de plotselinge groeispurt van Marcus. Ineens stak hij wel een halve kop uit boven Finn. Zo oneerlijk. Bij hem zijn het alleen maar zijn handen en voe- ten die willen groeien. De afgelopen twee maanden heeft mama twee keer nieuwe schoenen voor hem moeten kopen. De rest van zijn lijf blijft klein en dun. Helemaal niet de body die je nodig hebt om een echte zwemkampioen te worden.
Aan het begin van de derde baan krijgt Finn Marcus weer in het vizier. Hij ligt nog steeds een beetje achter hem, maar het gat is iets kleiner geworden. Zo dadelijk, na het laatste keerpunt, moet hij alles geven. Niet letten op de pijn in zijn armen. Niet letten op de naalden in zijn benen. Alleen maar rammen tot en met de laatste meter.
Eenmaal onder water zet Finn zich voor de derde keer af tegen de achterwand van het zwembad. Even fladderen zijn gedachten nog naar zijn moeder. Zou ze wel hard genoeg juichen op de tribune? Maar zodra zijn armen weer door het water ploegen, denkt hij alleen nog maar aan de race. Nu is het tijd om alles te geven. Natuurlijk is hij moe, een beetje misselijk zelfs. Maar lang niet zo moe en beroerd als andere keren. Voor het eerst heeft hij wat over aan het eind van de race. Dus probeert hij op de laatste meters te versnellen. Misschien kan hij Marcus met zijn eindspurt verrassen. Nog een klein eindje maar. Zijn adem- haling hijgt in zijn oren. Zijn hart gaat wild tekeer. En als hij aantikt, weet hij echt niet hoe hij het heeft gedaan. Maar dat duurt niet lang en dan kan Finn eindelijk zijn eerste overwinning vieren. Hij brult alsof hij een Olympische medaille heeft gewonnen en slaat wild met zijn handen op het wateroppervlak.
Onverwacht krijgt hij een por in zijn rug. Als hij zich omdraait, kijkt hij recht in het gezicht van Marcus. Die woedende blik, alsof Finn iets van hem heeft gestolen. Zijn adem stokt. Het kan maar één ding betekenen: Marcus is dat rotgeintje met die zwembroek nog lang niet vergeten.

Hier ga je naar de pagina over Een valse start  >